Een laatste zomerverhaal

Nu de bladeren bruin kleuren en van de takken vallen, neem ik de pen ter hand om u een verhaal te vertellen uit mijn jeugd, om zo een laatste sprankje zonlicht over te brengen uit het verleden.

Beynac-et-Cazenac, 1345

Het was mijn eerste keer. Ik leefde mijn tiende zomer toen mijn vader besloot dat ik oud genoeg was om hem te vergezellen op zijn tocht van Cahors naar Bergerac. Vader reisde doorgaans zuidelijk naar Montpellier, maar wenste uit te breiden. De reden dat hij mij nooit eerder had meegenomen op zijn reizen, was dat we in roerige tijden leefden. Frankrijk was in oorlog met Engeland en hun machtshongerige koning Edward III, die het Franse territorium in Aquitanië binnenviel. Eerder dat jaar werd er in de stad waar ik woonde druk gebouwd aan muren en kanalen om ons te beschermen van kwaden van buitenaf. Ik bad tot God om de stad Cahors te sparen, want wij hadden veel te verliezen. Vader en ik gingen westwaarts, naar de stad Bergerac, waar de Engelsen heersten sinds 1152. We kwamen aan in Montcuq, waar wij volgens voorbijgangers veilig heen konden gaan, omdat de stad werd belegerd door ons eigen Franse leger. Eenmaal aangekomen vernamen wij van de inwoners van de stad dat het leger de stad had verlaten, op weg naar Bergerac. De mensen hadden geruchten gehoord over een aanstaande strijd die gevoerd zou worden, aangezien het Engelse leger vanuit Gascon op weg was. Vader en ik waren in gevaar, want reizende legers betekende onveilige wegen. We besloten daarom noordwaarts te trekken, richting de rivier de Dordogne. Vader had een brief gestuurd naar moeder, met de boodschap mijn zusjes en mijn jongere broertje ons veilige huis niet te doen verlaten. We wisten dat er Engelsen bij de grenzen slopen, altijd op zoek naar meer dan hen toekomt. Eenmaal dichtbij de rivier viel het ons op dat er inderdaad Engelsen aanwezig waren. Het kasteel van Castelnaud was, alweer, overgenomen door de Engelse pretendenten. Vader en ik zochten een plek om de rivier ’s nachts over te steken, omdat er minder mensen het gebied bewaakten in de nacht. We lieten onze paarden langzaam lopen, zodat we niet teveel lawaai zouden maken. Triomfantelijk liepen wij het veilige, Franse territorium binnen, toen wij werden opgeschrikt door stemmen. Drie mannen, zwaar bewapend, kwamen op ons af en blokkeerden de weg. Ik zag vader zijn armen spreiden, alsof hij onze goederen wilde beschermen, en schreeuwde naar de mannen dat zij ons geen pijn moesten doen. De soldaten, die ons inheemse Franse accent direct herkenden, lieten hun wapens zakken. We werden meegenomen naar een ander kasteel op de Franse grens van de rivier de Dordogne: Beynac. Toen we dichterbij kwamen begon de zon al bijna te rijzen, kon ik de omtrek van een fort op een klif opmaken, majestueus hoog en uitkijkend over de vallei en rivier. Persoonlijk vond ik dit fort indrukwekkender dan die aan de andere kant van de rivier. We werden door de aanwezige jonkheer en jonkvrouw van het kasteel uitgenodigd voor het ontbijt. Daar hoorden wij dat er inderdaad een grote strijd had plaatsgevonden op de route naar Bergerac, en dat we er goed aan hadden gedaan naar het noorden te reizen. Als jongen vond ik het kasteel geweldig. Het was comfortabel, en het uitzicht vanuit de kleine ramen was wonderbaarlijk. Ik werd verliefd op de plek, maar meer nog werd ik verliefd op een meisje: Een dienstmeisje genaamd Genevieve, de dochter van een handelaar, trok mijn aandacht vanaf de eerste keer dat mijn blik op haar viel. Vanaf het eerste moment dat ik haar zag besloot ik dat Beynac-et-Cazenac mijn thuis zou worden. Een paar jaar later kwam ik terug en vroeg ik om haar hand, en ben ik nooit meer weggegaan…

Laat een reactie achter